RP Logo ster 80 (VV)AVD Logo Sticker(V) HISTORIE KORPS RIJKSPOLITIE
ALGEMENE VERKEERSDIENST RIJKSPOLITIE
 
BROCHURE REÜNIE SAS 1985


SR85 H00.01Voorblad(7V)Hoofdstuk 3. In 't verleden ligt het heden, In het 'nu' wat komen gaat.


Het hierboven aangehaalde gedeelte van een gedicht is overbekend.
Het is zó bekend, dat het zijn zeggingskracht heeft verloren.
Het wordt te pas en te onpas geciteerd, waarna overgegaan wordt tot de orde van de dag. Toch is hier een ernstige zaak aan de orde. Het heeft te maken met de wet van de causaliteit in het 'gebeuren' van elke dag. Het gebeuren in het universum, op onze planeet en in het leven van iedereen. Ontwikkelingsprocessen staan niet op zichzelf, maar volgen een 'trend', een richting, die zich vanuit het verleden via het 'heden' voortzet in de toekomst.
In de vijftiger jaren verscheen van de hand van Prof. Fred. L. Polak een boek met een wel zéér sprekende titel 'De Toekomst is Verleden Tijd'.
Bij alles wat zich voltrekt op elk gebied, is steeds de volgende fase ontstaan uit de voorafgaande. Of het nu gaat om ontwikkelingen op het gebied van de techniek, de biologie, de natuurkunde, de chemie, en de economie, of op dat van sociale wetenschap, psychologie, politiek en religie, steeds wordt in elke volgende fase gesteund op de ervaringen en resultaten van de vorige.
Een jonge tak van wetenschap die zich met de bestudering van de ontwikkelingen bezig houdt, n.1. de 'futurologie' of 'prognostica', bezint zich op de vorm die de toekomst zal kunnen hebben, zowel als gevolg van de trend in het gebeuren als door de onderlinge beïnvloeding van de ontwikkelingen. Deze nuchtere wetenschap is geheel iets anders dan 'Science fiction' en het romantisch dromen over een toekomstbeeld, zoals dat in oudere en jongere publicaties van uiteenlopende auteurs aan de dag treedt.
De oudste en meeste bekende is ongetwijfeld Jules Verne die in zijn - ten onrechte als 'jongensboeken' betitelde werken zijn fantasie de vrije loop liet, uitgaande van wat in de 19 eeuw tot de wetenschap behoorde. Hij heeft nooit kunnen vermoeden" dat de meeste van zijn fantasieën binnen een eeuw tot de realiteit van alle dag zouden behoren. De bemande maanreis is niet zijn enige voorspelling; wij reizen nu ook om de wereld in veel minder dan tachtig dagen (eerder in tachtig uur!) wij varen onder het poolijs door met atoomduikboten,
SR85 H03.17f(7V)We kennen de radar en de televisie, duikerklokken en kikvorsmannen. Maar eveneens zijn door hem voorspeld, het amfibievaartuig, de ontginning van de oceaanbodem als voedselreservoir, de reuzentelescoop, de film en de atoomoorlog! !

Van meer recente datum, en bijzonder lezenswaard zijn o.a. Oswald Spengler (1880-1936). Bertrand Russel (1872-198?). Der Untergang des Abendlandes (1922). The scientific Outlook (1931). New hopes for a changing world (1951).
Aldous Huxley (1894). Brave new world (1932). Herbert George Wells (1866-1946). The shape of things to come. Alvin Toffier Futureshock en The Third Wave (1983).
Was de toekomstvisie van Jules Verne nog wat 'speels' en amateuristisch, langzamerhand worden de toekomst 'voorspellingen' steeds meer op wetenschappelijke, dus nuchtere, wijze geformuleerd. Bovendien neemt de specialisatie in de wetenschap steeds meer toe, zodat de individuele toekomstonderzoekers uit vroeger tijden allengs worden vervangen door collectieve 'Toekomstonderzoek-instituten'. De tijd, dat een enkele geleerde bolleboos practisch alles kon weten wat zich op het gehele wetenschappelijke toneel afspeelde, zoals b.v. een Newton, een Descartes en een Huygens, is voorgoed voorbij.
Er is eens gesteld dat in de laatste 40 jaar meer is gepubliceerd op wetenschappelijk gebied dan in de 40 eeuwen daarvoor!
Specialisatie heeft het nadeel dat de betrokkenen zich 'oogkleppen' verschaffen en aan wetenschappelijke arrogantie gaan lijden.
Arthur Clarke, een Brits geleerde, heeft eens gezegd: 'Als een bejaard geleerde meent dat iets mogelijk is, heeft hij meestal gelijk, maar als hij stelt dat iets onmogelijk is, heeft hij meestal ongelijk'. Het zijn steeds weer experts die zich op grond van hun deskundigheid krachtig verzetten tegen de mogelijkheid en bruikbaarheid van nieuwe vindingen. Zo werden de proeven van Edison, om te komen tot electrische verlichting, in zijn tijd, voor 'klinkklare nonsens' verklaard.
Ongeveer een halve eeuw geleden (1926) schreef de geleerde professor Bickerton:
'Het dwaze idee om voorwerpen naar de maan te willen schieten is een voorbeeld van de absurditeit waartoe overgespecialiseerde geleerden komen wanneer zij in hun afgesloten gedachtenwereld doende zijn. De energie van onze krachtigste springstof -nitroglycerine- is slechts 1/10 van de energie die nodig is om de ontsnappingssnelheid t.o.v. de aarde te bereiken.
Het voorstel is dus principieel onmogelijk......' Van jongere datum en nog onbegrijpelijker is de uitspraak van dr. Vannevar Bush, leider van de Amerikaanse wetenschappelijke oorlogsvoering in 1945. 'Er wordt veel gesproken over een raket met drieduizend mijl reikwijdte.... Technisch geloof ik niet dat iemand op aarde dit voor elkaar zou weten te krijgen en ik ben er van overtuigd dat we het zelfs wel kunnen vergeten...' Wij weten helaas beter!!
Wij beleven een periode van ontwikkelingen op allerlei gebied, die elkander met steeds grotere snelheid opvolgen.
Niet de áárd van de veranderingen, maar hun snelle opéénvolging schept de probleemsituaties, o.a. in de werkgelegenheid.

SR85 H03.21f(7V)Het economische leven wordt meestal verdeeld in drie sectoren, n.1. de agrarische, de industriële en de dienstensector. De werkgelegenheid in de agrarische sector is in anderhalve eeuw drastisch verminderd. In het midden van de vorige eeuw was ongeveer 85% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en de veeteelt. Thans is dat nog slechts 8%. De automatisering doet hier ook verder dalen vermoeden. (5%). De kleine boer en de landarbeider verdwijnen allengs door schaalvergroting in de bedrijven.
Toen de eerste industriële revolutie, met o.a. de toepassing van de stoommachine, achter de rug was, bleek dat 35% van de beroepsbevolking in de industriële ondernemingen-fabrieken werkzaam was. De verwachting bestaat, dat dit percentage zal teruglopen tot ongeveer 10%. Als dat zal zijn bereikt, dan komt 85% van de beroepsbevolking terecht in de derde sector, die van de diensten. De vraag is dan gewettigd of in die sector zóveel arbeidsplaatsen beschikbaar zullen zijn om aan allen werk te verschaffen. (Polak in 'Gesprek met morgen').
Hoe ziet die derde sector er uit?
Zij bestaat uit de werkgelegenheid bij o.a. de overheid, in de handel, distributie (vervoer en verkeer), onderwijs, verzorging (ziekenhuizen e.d.) bouwen reparatiebedrijven. Deze opsomming is geenszins volledig, maar wil aangeven dat de typische industriële sector, die na wereldoorlog II zo enorm is uitgebreid, aan het voorbijgaan is. Niet dat de industrie zal verdwijnen maar zij zal een geheel ander 'gezicht' hebben. Méér computers en robots, minder mensen.
Deze mensen zullen echter van een hoger ontwikkelings niveau moeten zijn.
Voor het middenkader zal naar alle waarschijnlijkheid hier het arbeidsveld komen te liggen.

Zoals reeds gezegd, het zijn niet de veranderingen op zichzelf, maar de snelheid waarmede zij zich aandienen die van de huidige mens flexibiliteit en aanpassing vorderen. Dat hierdoor spanningen tussen mensen en groepen van mensen onvermijdelijk zijn, hebben de laatste 20 jaren wel duidelijk bewezen.
Het zal zeker nodig zijn dat de 'trends' van de verschillende ontwikkelingen naar elkander worden toegebogen. Een proces dat zich niet laat dwingen, doch dat n.m.m. op den duur aanvaard zal worden als 'vanzelfsprekend'.
Dit artikel wordt geschreven voor mensen, die bij de uitvoering van hun taak in de dienstensector! - bij voortduring gebruik moeten maken van technische hulpmiddelen zoals auto's, motoren, electronica e.d. De wijze waarop zij thans hun werk verrichten is sterk beïnvloed door ontwikkelingen op zowel technisch als bestuurlijk terrein in de laatste twee decennia. Daar schrijver dezes een volkomen leek is op het gebied van futurologie (hoogstens belangstellend) waagt hij zich ook niet aan eigen voorspellingen.
Daarentegen is het misschien wel interessant een terugblik te werpen op het gebied waarop hij vele jaren werkzaam was, n.l. de motortechniek. Een jongen van 17 jaar, die in 1923 een T-Ford leerde besturen waaraan drie pedalen en twee manettes onder het stuurwiel te pas kwamen en een verplicht rijbewijs gewoon op de secretarie van de gemeente kon worden afgehaald als hij achttien jaar was geworden; aan niemand behoefde te laten zien hoe goed of hoe slecht hij op de hoogte was van het rijden niet een 'gemotoriseerd voertuig', heeft nu slechts te maken met twee pedalen en verder gaat alles automatisch. Behalve het verkrijgen van een rijbewijs! Dat bij de ontwikkeling van de automobiel teruggegrepen werd op dat wat reeds bekend was - de trendgedachte - is duidelijk te zien aan de eerste modellen carrosserie. Het waren vigilantes waar men de paarden voor vandaan had gehaald.
De remmen werkten tot in de jaren 30 nog slechts op de achterwielen, net als bij de boerenkarren. Toen ontdekt werd dat juist het beremmen van de voorwielen veiliger was, moesten de voertuigen een driehoekige plaat achterop hebben met het opschrift:
PAS OP, VIER WIELREMMEN Ook de slogan in die tijd, VEERTIG KILOMETER IN DE BOCHT IS GEVAARLIJKER DAN VEERTIG GRADEN KOORTS is interessant genoeg om te worden herdacht.
SR85 H03.19f(7V)Het vervangen van een band was voldoende om een kleine volksmenigte op de been te brengen, die dan soms ook nog meende enige opmerkingen te moeten maken. Zo sprak een toekijker eens tot de ploeterende bestuurder, die een splitpen verwijderde om een moer los te draaien: 'Als je ook alles met een ijzerdraadje vastzet ben je een moordenaar voor je het weet!!' De naam chauffeur, letterlijk 'Stoker', stamt nog uit de tijd dat ernstige pogingen werden gedaan om stoomautomobielen te construeren. De pogingen zijn ten slotte opgegeven; hoewel op de Boulevard des Anglais in Nice in het begin van deze eeuw nog zo'n vehicle een snelheid haalde van 120 km/u. De bougie - kaars! - heeft zijn naam behouden n.a.v. het kleine pijpje van porcelein, waarin brandstof werd gegoten en aangestoken om het te verhitten in de kop van de motor en te dienen als ontsteking. De witte kleur en de vorm stempelden het tot een kaars!
We hebben de verlaging van het zwaartepunt langzaam veld zien winnen, en de carbidlantarens zien verdwijnen alsmede de 'smeerpotten' op het paravant.
Richtingaanwijzers zijn gekomen en verdwenen! Er is veel veranderd, maar aan de, in feite oneconomische, overbrenging van een rechtlijnige, op-en-neergaande, beweging op een roterende, is nog niets veranderd in de auto industrie. In de vliegtuig-industrie gebeurde dat wèl. Jet-motoren zijn gemeengoed geworden. Stoomturbines hebben ,:,en hoog rendement gekregen. Voor de kleine, bij miljoenen gebruikte automobielmotoren hebben de pogingen tot verbetering van - en die zijn vele malen ondernomen - steeds schipbreuk geleden.
De aanmaak van onderdelen is op bijna microscopische nauwkeurigheid gebracht. James Watt, die de stoommachine tot een bruikbaar instrument ontwikkelde, schreef eens aan een vriend dat hij zo verheugd was met het bereikte resultaat bij het 'pas maken' van een zuiger in een cylinder, wat op de plaatsen waar de zuiger het meest afweek Van de cylinder kon hij 'slechts' een penny tussen beiden krijgen Toeters werden claxons, eerst met de hand gedraaid en later electrisch mechanisch, en thans electronisch. Banden en veerdempers zijn onherkenbaar veranderd, het 'aanzwengelen' van een motor, met gevaar voor armbreuk als de motor niet 'op tijd' stond, is vervangen door een 'startsleuteltje'; indrukken en omdraaien!
Er zou nog een hele lijst van dit soort ontwikkelingen zijn op te maken. Het moet hier bij blijven.
Wanneer er sprake is van het samentreffen van trends, zoals in de aanvang opgemerkt, dan is hiervan de auto een sprekend voorbeeld.
Metallurgie, electrotechniek, chemie en mechanica hebben volgens hun eigen trend medegewerkt aan haar huidige voorkomen en plaats in de maatschappij. Of die definitief is, moet ernstig worden betwijfeld. Hopelijk wordt het niet zó dat het aanschouwen van de ontwikkelingen tot bewusteloosheid zal leiden, zoals dat werd verondersteld in 1839 toen de eerste stoomtrein reed van Amsterdam naar Haarlem en het ontraden werd naar dit met 'ontzettende' snelheid zich voortbewegende monster (35 km/u) te kijken. De ogen zouden zó snel moeten draaien dat men bewusteloos kon worden.
Wie het oog op de toekomst durft te richten, behoeft bij het aanschouwen van de snelheid in de opéénvolgende veranderingen, niet 'bewusteloos' te geraken.
Hij dient er zich 'bewust' van te blijven, dat hij de barensweeën van een nieuwe tijd méébeleeft.
Hij zal misschien wel eens met de ogen knipperen. Wie doet dat vandaag de dag niet? De ogen zullen gericht moeten blijven op het 'nieuwe, verrassende en schijnbaar radicale' (Toffler) dat zich aandient.
Wie dat niet durft, maar met gesloten ogen en gebogen hoofd voortgaat, is als de reiziger, die door een drukke, rumoerige en soms gevaarlijke stad gaat.
Hij ziet wèl de vuile trottoirs, de bekladde muren en vreest voor zijn veiligheid.
Eerst als hij de stad achter zich heeft gelaten, ziet hij, bij het terugblikken, de skyline daarvan, zich aftekenen tegen de horizon van zijn 'verleden'.
Hij ontdekt dan - en misschien voor het eerst - de torens van de schone kathedralen waaraan hij achteloos is voorbijgegaan. In zijn toenmalig 'Heden' heeft hij de schoonheid - die er tóch wasniet opgemerkt. Onze tijd is te vergelijken met die stad; rumoerig, druk en soms gevaarlijk.
Degene die de ogen open houdt, niet vreest en 'rechtop' gaat, hem ontgaan de momenten van schoonheid in zijn 'Heden' niet.

A. BI.
'medereiziger sinds 1906.


Naar menu > Brochure SAS reünie 1985.